Moederstad. Jakarta, een familiegeschiedenis

Mijn stamboom is compleet, het makkelijke werk is gedaan. Maar het beeld dat ik heb van de moederstad én de rol van mijn familie in de geschiedenis daarvan is nog zeer tweedimensionaal. Het leeft allemaal nog niet. Als ik meer wil weten, moet ik terug naar Jakarta.” (p. 18)

Dit boek is een levendige, anekdotische geschiedenis waarin de eigen diversiteit en de diversiteit van de geschiedenis centraal staat. Dröge koppelt het verleden met het heden door de wisselwerking van een anekdotisch reisverhaal met gedetailleerd archiefonderzoek naar de eigen familiestamboom en de omgeving waarin die familie woonde en werkte. Het is een missie om het verleden te doen leven voor het voor altijd verloren is, en tegelijkertijd de eigen diversiteit een plaats te geven. Het doorbreekt traditionele aannames dat een Nederlandse afkomst per definitie Nederlands is. Een stamboom als die van Dröge is exemplarisch voor de hele mensheid. Er zijn óveral vertakkingen en verhalen, aan alle kanten van de etnisch culturele scheidingen die zo leidend zijn geweest in het Nederlandse koloniale denken. 

Slaven zijn een abstractie voor de moderne mens. Net zoals we weinig gevoel hebben bij de slag bij Nieuwpoort of gladiatorengevechten, zijn horigen en lijfeigenen vooral een papieren construct. We kunnen ons proberen voor te stellen hoe afschuwelijk het was, maar we voelen in ons zijdezachte leven de echte pijn niet. Nu de kans aanzienlijk is dat ik slaven onder mijn voorouders heb, is de afstand in elk geval weg.” (p. 124)

De chronologische structuur van het verhaal, met afwisselend de ontdekkingen en verhalen over het hedendaagse Jakarta, maken deze familiegeschiedenis veel meer dan alleen een persoonlijk verhaal. Het toont een heel compleet beeld van de Nederlandse aanwezigheid in Batavia en hoe die aanwezigheid door te trekken is naar het heden. Van de eerste VOC-lieden die voet op de onbekende grond zetten (en ter plaatse dood en verderf saaien), tot de kansen die voor iedereen uit de regio ontstaan, en de gemengde familie relaties die vorm krijgen, krijgt iedereen een rol en een persoonlijkheid in een stuk geschiedenis die uitermate boeiend is om het heden te duiden.

De geschiedenis ligt vaak slechts centimeters onder het dunne laagje heden. Je hoeft op sommige plekken niet eens te graven om eeuwen terug te gaan en iets opmerkelijks te vinden.” (p. 323)

Het persoonlijke uitgangspunt van Dröge om onderzoek te doen naar het eigen DNA komt in eerste instantie wat naïef over en is een twijfelachtige basis voor een uitgebreide familiegeschiedenis, maar gaandeweg krijgt het prachtig vorm en komt er duidelijk veel diepgravend archiefonderzoek aan te pas, gecombineerd met een kundig soort journalistieke zoektocht in het huidige Jakarta. Dit boek heeft alle ingrediënten om te zorgen voor een vermakelijke en boeiende anekdotische geschiedenis van enkele eeuwen in Batavia en later Jakarta. Dat het zo dicht op de personen blijft, met hier en daar een contextuele uitstap, houdt het ontzettend leesbaar.

De toegankelijkheid en de uitstekende schrijfwijze maken dit een erg goed historisch verhaal, waar veel mensen inspiratie en herkenning uit kunnen halen. Een zeer geslaagde familiegeschiedenis en een zeer geslaagde geschiedenis van de Nederlandse aanwezigheid in Jakarta.

Philip Dröge – Moederstad. Jakarta, een familiegeschiedenis (2021)

Revolusi. Indonesië en het ontstaan van de Moderne Wereld

Koloniale geschiedenissen zijn geen binaire processen en dat geldt a fortiori voor de eerste grote dekolonisatieoorlog na de Tweede Wereldoorlog. Nogmaals: de wereld heeft zich ermee bemoeid en de wereld is erdoor veranderd. (p. 291)

In Nederland is het erg ‘pover gesteld’ met de koloniale en postkoloniale kennis. Zo zeer zelfs dat in 2006 de minister-president, een historicus nota bene, nog jubelend verwees naar de ‘VOC-mentaliteit’. Over de stamelende ‘Toch?’ dat volgde gaat Revolusi. Indonesië en het ontstaan van de Moderne Wereld. Een grootse onderneming, waar David van Reybrouck vijf jaar over heeft gedaan. Aan de hand van allerlei getuigenverslagen vertelt hij een geschiedenis die lang niet zo bekend is, terwijl Nederlands-Indië en later Indonesië van enorm groot belang zijn geweest voor de Nederlandse geschiedenis, alsook voor de moderne geschiedenis van de wereld. De term Revolusi geeft bondig weer waar de kern zit: ‘geen unieke historische gebeurtenis waarvoor men een aparte term moet bedenken, maar een klassiek proces van grote sociale en politieke omwenteling vergelijkbaar met de Franse Revolutie’ (p. 310). Dit gehele proces vormt de rode draad, waar een lange geschiedenis bij komt kijken. Kijken naar het geheel is waar Van Reybrouck in excelleert, versterkt door de persoonlijke en individuele ervaringen.

Centraal staat de historische methode van ‘oral history’: de geschiedenis aan de hand van mensen die zelf aanwezig waren. ‘Alledaagse mensen hebben zoveel te zeggen’, en op die manier krijgt Revolusi een indrukwekkend persoonlijk perspectief, omringd door de grotere context van historische ontwikkelingen. Het onderzoek is erdoor enorm rijk aan verschillende invalshoeken. Het levert prachtige anekdotes op, die de geschiedenis van Indonesië in alle opzichten tot leven wekken, van de vroege koloniale verhoudingen in de samenleving, tot de Japanse bezetting in de Tweede Wereldoorlog, de volgende Proklamasi en de Politionele Acties, en verder. 

Waar in eerste instantie misschien juist het meeste uitgekeken wordt naar wat Van Reybrouck nu schrijft over deze ‘Politionele Acties’, toont het boek al gauw de veel bredere context waarin allerlei geweld en politieke onenigheid kon ontstaan. Verschillende fasen tonen hoe verdragen stuitten op partijpolitiek verzet in Den Haag, terwijl ter plaatse juist vooruitgang geboekt werd. Er was veel ellende, maar niet overal en niet altijd. Van Reybrouck weet vakkundig zaken te scheiden, en te doen samenlopen waar contexten horen samen te lopen. Het aandeel koloniale kennis van dit deel van de Nederlandse geschiedenis is absoluut verrijkt.

Wat postkoloniale kennis betreft, plaatst Van Reybrouck de antikoloniale en antiracistische tendensen van de jaren vijftig tot zeventig haarfijn binnen het kader van het structureel onderbelichte onafhankelijkheidsstreven onder Soekarno in de nieuwe Indonesische Republiek. De Conferentie van Bandung (1955) krijgt groot belang als tegenhanger van de grote Westerse conferenties die de moderne wereld vormden. Deze nuance is van ongekende waarde om de wereld steeds meer los te zien van, doch ook de grote invloed te zien van, de westerse, imperialistische lijnen die getrokken en opgelegd werden. Naast het West – Oost denken van de Koude Oorlog, ontstond een compleet nieuw soort Vrije Wereld, waarvan de invloed in de Moderne Geschiedenis nog niet zo exceptioneel was neergezet. Het succes van Bandung had echter niet de langdurige invloed die aanhangers hadden gehoopt.

Zelden lees je zo een compleet naslagwerk dat bovendien uitermate leesbaar is. De pen van Van Reybrouck en de scherpe historische inzichten, maken dit een buitengewoon werk, waar iedereen nog veel van kan opsteken. Het opent een geheel nieuwe wereld aan perspectieven en is een fantastische geschiedenisles, van kop tot staart. Aangekomen bij deze figuratieve staart brengt hij je vervolgens terug naar de hedendaagse realiteit.

Zo scherp en gefundeerd het historische onderzoek van Van Reybrouck naar voren is gekomen in dit boek, toont hij eveneens met zijn visie op het heden en de toekomst zijn geweldige talent: “Kolonialisme is niet langer iets territoriaals maar temporeels; het ergste ligt misschien niet achter ons, maar vóór ons. Wij gedragen ons als de kolonisatoren van de toekomstige generaties, wij ontnemen hun hun vrijheid, hun gezondheid, misschien zelfs hun leven.” (p. 521) Het is een confronterend slot, maar compleet gerechtvaardigd en goed onderbouwd. Het geheel van al deze invalshoeken maakt dit boek tot een monumentaal werk, zoals Congo. Een geschiedenis (2010) dat eerder ook werd.

David Van Reybrouck – Revolusi. Indonesië en het ontstaan van de Moderne Wereld (2020)

De ontdekking van Urk

Leegte, dat is wat achter de regels schuilgaat, want er is niks anders dan het Urker paspoort. En angst, om zonder dat paspoort zelf een identiteit te moeten opbouwen. Wat de buitenwereld nu overkomt, dat geldt evengoed voor de plek waar ik vandaan kom. ‘Zo zijn Gentenaars, hè’ is een even grote dooddoener. Een leegte die verraadt dat iedere identiteit niks meer is dan een constructie, een verhaal waar iedereen zich aan vastklampt en dat het leven zin geeft. ‘Ja, want ik ben een Urker, hè’ is een veel makkelijker antwoord dan te moeten toegeven dat iedereen maar wat aanmoddert en de groep volgt. Of niet. Giet er nog een laag trots en nostalgie overheen en het paspoort fonkelt in het zonlicht. (105)

Met De ontdekking van Urk heeft Matthias Declercq toenadering gezocht tot een van de meest moeilijk te doorgronden plaatselijke identiteiten in Nederland. Het ‘eiland’ Urk, dat sinds de aanleg van de eerste dijken voor de Noordoostpolder geen eiland meer is, is nog altijd een anomalie in de Nederlandse cultuur. Door de schijnbare geslotenheid en ingewikkelde interne verhoudingen, is het naar buiten toe voor velen een dorp waar met gemak een identiteit aan opgelegd kan worden. Declercq verdiept zich in die identiteit. Beginnend bij de ideeën van buitenaf probeert hij zich in te burgeren op Urk. Hij spreekt er met bijna iedereen, lijkt wel, tijdens de zes maanden die hij er is gaan wonen. Wat het heeft opgeleverd is een geweldige journalistieke kijk naar de cultuur en de identiteit van een trots vissersdorp, binnen een sterk geglobaliseerde wereld.

Daarmee plaatst Declercq Urk als idee en als identiteit in een groter geheel, met oog voor geschiedenis en maatschappelijk-culturele ontwikkelingen elders in Nederland. Zo geeft hij een interessante basis in wetenschappelijk onderzoek uit de jaren dertig naar de vorm van Urker schedels en de manier waarop van buiten Urk gekeken werd naar Urk als ‘achterlijk’, gekaderd in de tijd van nationaalsocialistische rassenbiologie en een recent verzoek van twee Urker auteurs om de betreffende schedels terug te krijgen van het rariteitenkabinet van het Tropen Museum in Amsterdam. Deze ideeën hebben buiten Urk een grote stempel gedrukt op de Urker identiteit.

Op Urk zelf bestaat ook een eigen identiteit, gekoppeld aan een rijk verleden van heldhaftige vissers. De geschiedenis speelt een enorme rol in het heden, want hoewel het aantal vissers op Urk drastisch is verminderd na de aanleg van de Afsluitdijk, rust het Urker paspoort nog altijd op dit beroep, gekoppeld aan een streng Reformatorische gezinssamenstelling. Hoe oppervlakkig dit ook nu nog hier zwart op wit is, voorziet Declercq in De ontdekking van Urk deze concepten van een zeer genuanceerd beeld. Hij is, en neemt de lezer daarin mee, oprecht geïnteresseerd in de mensen en hoe men samenleeft. De manier waarop hij kijkt naar het grotere plaatje, met daarin de individuele verhalen door de tijd heen, is bijzonder lovenswaardig. Bovendien is het ook een verhaal waarin een groep mensen, met een eigen cultuur, geplaatst wordt in de grotere wereld, en hoe identiteit valt en staat bij definities van anderen. Het leest als een ijzersterk verslag van de huidige wereld, gecentreerd op een interessante microkosmos.

Matthias M.R. Declercq – De ontdekking van Urk

De Slavernij in oost en west

“Vanaf het eind van de zestiende eeuw tot ver in de negentiende eeuw was de stad Amsterdam betrokken bij slavenhandel en slavernij.”

Met deze stelling opent het recent verschenen ‘Amsterdam onderzoek’ naar de rol van het Amsterdamse bestuur in de Slavernij. Deze bundel is het resultaat van dat onderzoek dat in 2019 door het Amsterdams gemeentebestuur werd verzocht met betrekking tot het slavernijverleden en de rol van het Amsterdams bestuur binnen de slavernij in zijn geheel. Aan de hand van vele bijdrages van onderzoekers uit allerlei velden biedt deze bundel een ‘grondig overzicht van de stand van zaken’, volledig aansluitend bij de belangstelling voor de omgang met het slavernijverleden en de doorwerking ervan in het heden. Met duidelijke taal geeft het een noodzakelijke basis voor de weg naar een toekomst waarin de kwalijke restanten uit het verleden een plaats in het heden kunnen krijgen.

Door de nadruk te leggen op verschillende vormen van omgang met het verleden, biedt deze bundel aan de hand van 38 artikelen een genuanceerde terreinverkenning om het onderwerp bespreekbaar te maken aan de hand van een wetenschappelijke basis. Zo gaat Dienke Hondius, universitair docent Geschiedenis aan de Vrije Universiteit, in op ‘de ideeën over zwarte mensen die gebruikt werden om de slavernij te verdedigen, en de lange doorwerking van dit soort ideeën op de vorming van hedendaags racistisch gedachtegoed’. De machtsverhouding die ontstaat uit het plaatsen van de ‘Ander’, zoals met Maand van de Geschiedenis een belangrijk thema was, komt in deze bundel dan ook ontzettend goed naar voren. Hoe collectief omgegaan werd met slavernij, en de schrijnende invloed ervan op vandaag de dag.

Het mooie van deze bundel is dat het zeer breed opgezet is, waardoor alomvattend gekeken kan worden naar niet alleen economische geschiedenis, maar ook naar politieke, sociale, culturele en maatschappelijke doorwerkingen van de slavernij in Amsterdam en Nederland in haar geheel. ‘Ontkenning van zowel de huidige verschijningsvormen als de historische wortels van racisme zorgde ervoor dat we in Nederland nauwelijks gekomen zijn tot een gemeenschappelijke taal en gedeelde noemers om deze discussie te voeren,’ aldus de inleiding.  Deze boeiende bundel maakt hier de weg voor vrij.

Pepijn Brandon, Guno Jones, Nancy Jouwe en Matthias van Rossum – De Slavernij in Oost en West