De ontdekking van Urk

Leegte, dat is wat achter de regels schuilgaat, want er is niks anders dan het Urker paspoort. En angst, om zonder dat paspoort zelf een identiteit te moeten opbouwen. Wat de buitenwereld nu overkomt, dat geldt evengoed voor de plek waar ik vandaan kom. ‘Zo zijn Gentenaars, hè’ is een even grote dooddoener. Een leegte die verraadt dat iedere identiteit niks meer is dan een constructie, een verhaal waar iedereen zich aan vastklampt en dat het leven zin geeft. ‘Ja, want ik ben een Urker, hè’ is een veel makkelijker antwoord dan te moeten toegeven dat iedereen maar wat aanmoddert en de groep volgt. Of niet. Giet er nog een laag trots en nostalgie overheen en het paspoort fonkelt in het zonlicht. (105)

Met De ontdekking van Urk heeft Matthias Declercq toenadering gezocht tot een van de meest moeilijk te doorgronden plaatselijke identiteiten in Nederland. Het ‘eiland’ Urk, dat sinds de aanleg van de eerste dijken voor de Noordoostpolder geen eiland meer is, is nog altijd een anomalie in de Nederlandse cultuur. Door de schijnbare geslotenheid en ingewikkelde interne verhoudingen, is het naar buiten toe voor velen een dorp waar met gemak een identiteit aan opgelegd kan worden. Declercq verdiept zich in die identiteit. Beginnend bij de ideeën van buitenaf probeert hij zich in te burgeren op Urk. Hij spreekt er met bijna iedereen, lijkt wel, tijdens de zes maanden die hij er is gaan wonen. Wat het heeft opgeleverd is een geweldige journalistieke kijk naar de cultuur en de identiteit van een trots vissersdorp, binnen een sterk geglobaliseerde wereld.

Daarmee plaatst Declercq Urk als idee en als identiteit in een groter geheel, met oog voor geschiedenis en maatschappelijk-culturele ontwikkelingen elders in Nederland. Zo geeft hij een interessante basis in wetenschappelijk onderzoek uit de jaren dertig naar de vorm van Urker schedels en de manier waarop van buiten Urk gekeken werd naar Urk als ‘achterlijk’, gekaderd in de tijd van nationaalsocialistische rassenbiologie en een recent verzoek van twee Urker auteurs om de betreffende schedels terug te krijgen van het rariteitenkabinet van het Tropen Museum in Amsterdam. Deze ideeën hebben buiten Urk een grote stempel gedrukt op de Urker identiteit.

Op Urk zelf bestaat ook een eigen identiteit, gekoppeld aan een rijk verleden van heldhaftige vissers. De geschiedenis speelt een enorme rol in het heden, want hoewel het aantal vissers op Urk drastisch is verminderd na de aanleg van de Afsluitdijk, rust het Urker paspoort nog altijd op dit beroep, gekoppeld aan een streng Reformatorische gezinssamenstelling. Hoe oppervlakkig dit ook nu nog hier zwart op wit is, voorziet Declercq in De ontdekking van Urk deze concepten van een zeer genuanceerd beeld. Hij is, en neemt de lezer daarin mee, oprecht geïnteresseerd in de mensen en hoe men samenleeft. De manier waarop hij kijkt naar het grotere plaatje, met daarin de individuele verhalen door de tijd heen, is bijzonder lovenswaardig. Bovendien is het ook een verhaal waarin een groep mensen, met een eigen cultuur, geplaatst wordt in de grotere wereld, en hoe identiteit valt en staat bij definities van anderen. Het leest als een ijzersterk verslag van de huidige wereld, gecentreerd op een interessante microkosmos.

Matthias M.R. Declercq – De ontdekking van Urk

Wittgensteins minnares

Onheuglijke tijd. Wat een uitdrukking is die ik misschien nooit goed begrepen heb, nu ik hem toevallig bezig.
Betekent onheuglijke tijd zonder heugenis, dus niet goed bij je hoofd, gek dus, of gewoon vergeten?

Taal biedt de mogelijkheid om de wereld te beschrijven, om ideeën en ervaringen van één persoon over te brengen op een ander persoon. Taal is een soort overeenkomst. Mensen begrijpen elkaar door de gedeelde opvatting dat een taal een bepaald beeld schetst. De Oostenrijkse filosoof Ludwig Wittgenstein hield zich bezig met dergelijke taalfilosofie: ‘hoe kan het dat taal werkt?’ Het begeleidende nawoord in deze eerste Nederlandse uitgave van Wittgensteins minnares (1988) van Lieke Marsman benadrukt de invloed van Wittgenstein op deze roman van David Markson, waarin hij de wonderlijke grenzen, mogelijkheden en restricties van taal toont, wanneer er niemand meer is om taal aan door te geven. Enkel aan de lezer, want als lezer zie je een wereld gecreëerd worden dat samenhangt van onvolledigheden en onjuistheden, op plausibele manier neergezet. De latere Wittgenstein plaatste in Filosofische onderzoekingen ‘de essentie van taal niet langer in de relatie tussen taal en werkelijkheid, maar stelde dat de essentie van taal zit in hoe we taal gebruiken’. Maar hoe gebruik je taal in je eentje?

Wittgensteins minnares is een ‘filosofische road novel’ waarin eenzaamheid een centrale rol speelt. Het is een meesterlijke roman over verbeeldingskracht en de betekenis van taal, en hoe taal werkt als er niemand is om die taal mee te delen. Op momenten is het hypnotiserend hoe bepaalde constructies je niet meer loslaten. Aan de hand van flarden informatie en allerlei herinneringen en ‘feitjes’ ontrafelt zich langzaam een wereld die valt en staat bij de rangschikking van de laatste mens op aarde. Dat is hoofdpersonage Kate. Ze woont ergens aan een Mexicaans strand, maar reist – of heeft gereisd – over de hele wereld. Wat je leest zijn de hersenspinsels die zij zo nu en dan typt op een typemachine. De ene gedachte vloeit voort uit de eerdere gedachte, constant bewust van de feitelijke correctheid van constructies, terwijl de vrouw geregeld zonder heugenis is. Met reflecties in het heden op de voorwerpen om haar heen blikt ze terug op de meest willekeurige, vooral kunsthistorische, weetjes die ze in haar vorige leven allemaal heeft opgedaan, gekoppeld aan de nachten die ze spendeerde in musea in Rome, Parijs en Londen, tot Sint-Petersburg en New York, dwalend door doodstille straten en een verlaten Colosseum.

Het komt dan ook geregeld voor dat Kate pagina’s later teruggrijpt op een herinnering of feit dat ze aanhaalde, om die te verbeteren of compleet aan te passen. Deze roman is dan ook ongekend onconventioneel. Verwacht niet zo zeer een verhaal met een begin, midden en een slot. Het is altijd en overal, maar desondanks zeker niet lastig om bij te houden. De zinnen die worden neergezet zijn prachtig, vol diepere betekenis en verbeeldingskracht, waardoor je als het ware opgeslokt wordt in de wereld van Kate. Deze indrukwekkende roman laat je gegarandeerd niet snel meer los en laat je voortdurend afvragen wat nu werkelijkheid is.

David Markson – Wittgensteins minnares

Mijn ontelbare identiteiten

Onze identiteiten krijgen meestal vorm na iets van een botsing. Een botsing tussen het beeld dat die persoon, of eigenlijk vooral een botsing tussen het beeld dat die persoon van je heeft met het beeld dat je van jezelf hebt. Dit verschil slijpt uiteindelijk ons zelfbeeld: soms geeft het ons een gunstig duwtje in de rug, helpt het ons weer op weg. Op andere momenten lopen we deuken op die moeilijk te repareren blijken. (79)

De persoonlijke ervaringen van het telkens maar weer herinnerd worden aan het feit dat je net geen ‘Nederlander’ bent, heeft Çankaya met dit werk fantastisch weten neer te zetten. Identiteiten staan ontegenzeggelijk centraal; de manier waarop ze worden geconstrueerd en voortgezet door woorden en handelingen wordt realistisch beschreven. Daarbij sluit hij – antropoloog van beroep – aan bij de grotere problemen binnen de ‘Westerse samenleving’, zoals BLM. Maar daarnaast vertelt Çankaya ook een persoonlijk verhaal dat goed de Nederlandse context illustreert. De problemen die hij in zijn carrière heeft aangekaart, zoals met het onderzoek naar discriminatie binnen de Nederlandse politieorganisatie, tonen het schrijnende racisme dat in Nederland aanwezig is. Het is nog altijd zó lastig bespreekbaar voor veel witte Nederlanders, een gegeven dat hij vlijmscherp weet te benadrukken. Het is een zeer welkom perspectief waarin identiteiten in Nederland in de loop van decennia gekoppeld worden aan een intrigerende en vervlochten cultureel-maatschappelijke geschiedenis. Zo speelt Nico Konst, jarenlang de voorzitter van de extreem-rechtste Centrumpartij, tevens geschiedenisleraar van Çankaya op de middelbare school, een centrale rol als symbool voor de verschuiving in de Nederlandse maatschappij, waarbij cultuur en etniciteit steeds meer de overhand hebben gekregen op sociaaleconomische problemen.

Naast het inhoudelijke belang is het ook nog eens geweldig geschreven. Door enkel te refereren aan sociaalwetenschappelijke concepten blijft het verhaal een persoonlijk verhaal, wat de leesbaarheid voor een breed publiek des te gemakkelijker maakt. Het leest vlot en creëert een bijzonder samenspel van inlevingsvermogen en bewustzijn voor de lezer. Het verhaal van een jongen en later man die iedere keer weer geconfronteerd wordt met opgelegde noties is absoluut non-fictie, want voor velen zijn de scenario’s die Çankaya schetst dagelijkse realiteit. Van zijn eigen jeugd tot de dagen dat hij onderzoek deed bij de politie, tot heel recent op zijn werk als universitair docent aan de Vrije Universiteit heeft hij te maken met het onvermogen om op momenten compleet de eigen waarde te bepalen. Kenmerkend is het volgende citaat:

Witheid is het decor waartegen wij ons dansje opvoeren. Witheid vormt het toonbeeld van wetenschappelijke distantie. (105)

Dit literaire debuut van Sinan Çankaya is bovenal een ongekend goede bijdrage binnen het bewustzijnsproces waartoe wij allemaal verplicht zijn. Het is een vlijmscherp verhaal dat ‘iedereen nú zou moeten lezen’, om de woorden van historicus Rutger Bregman te herhalen. De manieren waarop een ‘Ander’ gecreëerd wordt, en hoe het leidt tot de uitsluiting van deze ander, weet Çankaya haarfijn te illustreren. Daarbij weet hij continu een genuanceerde en persoonlijke toon te houden. Een geweldig boek.

Sinan Çankaya – Mijn ontelbare identiteiten

Laura H.

Het journalistieke meesterwerk van Thomas Rueb uit 2018 blijft intrigeren. De Nederlandse NRC-journalist is al vele malen geroemd om dit werk, maar dat weerhoudt mij niet om daar wat lof aan toe te voegen. Voor wie het nog niet heeft gelezen: dit is het verhaal van Laura H., het kalifaatmeisje uit Zoetermeer, dat in juli 2016 vanuit IS-gebied terugkeerde naar Nederland. Thomas Rueb gaat op zoek naar het hele verhaal. Wie is Laura? Wat maakte ze mee? Wat gebeurde er toen ze terugkwam? Waarom kwam ze terug? Zijn eigen journalistieke enthousiasme spat van de pagina’s en levert een fantastisch, genuanceerd narratief op waarin alle facetten naar voren komen die speelden rondom Laura, Nederland, en de gevreesde IS. Het is een bijzonder persoonlijk verslag dat raakt aan grotere thema’s.

Beginnend bij het moment waarop de rechtszaak begon in 2017, gaat Rueb met biografisch-journalistieke verve terug naar de vroege jeugd van het ‘kalifaatmeisje’ uit Zoetermeer. Haar vertrek naar IS-gebied wordt dan ook geplaatst binnen een veel complexer geheel waarin psychologische problemen, in combinatie met verkeerde invloeden, tekenend zijn geworden voor haar leven. De terugkomst werd in Nederland door de maatschappij en de politiek gekaderd in een eenzijdig narratief waarin ze enkel slechte intenties kón hebben. Rueb weet hier op briljante wijze een spiegel voor te houden voor de angsten die gepaard gaan aan de noties van ‘Westerse waarden’ en de nuance van het leven van een meisje.

Een centraal thema is het overlijden van het zieke broertje van Laura. Haar ouders breken; zien niet in dat jaren eenzijdige aandacht voor het broertje ongekende, negatieve invloed heeft op Laura. Invloed dat doorwerkt in haar schooltijd, haar vriendjes, haar problemen met aandacht. Haar keuzes lijden eronder, maar niet op een manier dat Rueb zaken goed probeert te praten. Tijdens het lezen krijg je juist een bijzonder beeld van verschillende percepties en hoe acties en gedrag verbonden zijn in grotere verbanden. Het biografische aspect is daarmee veel meer een kader voor bredere narratieven, waarin onder andere een getroebleerde jeugd te makkelijk miskend wordt, ook door Laura zelf.

Dat ze in Syrië terechtkomt is dan ook een spannende en schrijnende samenloop van omstandigheden, waarin een zieke relatie en het gemis van liefde een chemie veroorzaken waarin ‘het kan alleen maar beter worden’ de overhand krijgt. Laura grijpt, bijna verlamd, elke mogelijkheid aan om geaccepteerd en geliefd te voelen. Het is vervolgens zenuwslopend, als een thriller, hoe de wereld er voor haar uitziet en hoe ze probeert weg te komen uit een gebied waarin ze constant onderdrukt wordt.

De strijd die zich afspeelt in dit boek is ongekend persoonlijk, met groot belang aan liefde, achtergrond en omgeving, maar het is ook veel groter dan dat. Rueb weet het allemaal fantastisch te omschrijven, waarin zelfs zijn eigen auteurschap een rol speelt in het creëren van perspectief. Ongekend interessant is deze toevoeging om het niet alleen over Laura te laten gaan. Het zegt veel meer over beeldvorming en angsten die voor velen als vanzelfsprekend geacht worden. De nuancering die hier plaatsvindt is nog altijd van groot belang en zal dat ook nog jaren zijn.

Er schijnt ook een verfilming te komen van het boek.

Thomas Rueb – Laura H.