Besprekingen

‘Westerse moderniteit’ als tautologie
Moderniteit en de tegenstellingen tussen Oost en West

Hoogleraar sociale geografie Alastair Bonnett keert zich in het artikel ‘Occidentalism and plural modernities: or how Fukuzawa and Tagore invented the West’ tegen het tautologische gebruik van de term Western modernity. Modernity(‘moderniteit’) is in Bonnett’s optiek niet een Westers fenomeen, maar een ‘project gevormd buiten het Westen’.[1] Susan Friedman, hoogleraar geesteswetenschappen, stelt eenzelfde idee voor in haar boek Planetary modernisms. Provocations across time. Het idee van het Westen is verweven met het idee dat moderniteit een Westerse uitvinding is, als gevolg van de notie van Westers exceptionalisme.[2] Het idee van moderniteit als temporaal construct gaat gepaard met een normatieve set van karakteristieken die binnen het academische discours veelal in Europese context is ontstaan. Daarmee heeft binnen dat discours ‘Westerse moderniteit’ een hegemoniale positie als het aankomt op noties met betrekking tot dynamiek en progressiviteit. De term wordt geacht tautologisch te zijn, want moderniteit is voor velen simpelweg een Westers kenmerk. In dit artikel wordt het idee van ‘Westerse moderniteit’ als concept geanalyseerd aan de hand van Friedman, Bonnett en Ahiska, waarna het in verband geplaatst wordt met ‘esthetische moderniteit’ en ‘Westerse’ en ‘Europese’ cultuurgeschiedenis aan het begin van de twintigste eeuw.[3]

Met het ontstaan van het historiografische gebruik van de term ‘avant-garde’ rond de jaren zestig, toen conceptualisaties in het kader stonden van contemporaine ontwikkelingen op het gebied van de beeldende en literaire kunsten, is een definitie gevormd die diep gegrond is in de Europese context en Westerse aannames. Eén van de belangrijkste conceptualisaties met betrekking tot de ‘historische avant-garde’, gericht op de ‘moderne’ kunststromen van het expressionisme, constructivisme en dadaïsme aan het begin van de twintigste eeuw, is verwoord door de Duitse literatuurwetenschapper Peter Bürger. In Theorie der Avantgarde (1974) definieert hij ‘avant-gardisme’ aan de hand van twee principes: ‘het revolutioneren van het leven als geheel en de aanval op institutionele kunst’.[4] Daarbij is de vorm van autonome kunst direct gelieerd aan het concept ‘moderniteit’ binnen een duidelijk Europees kader. Bovendien valt de definitie van ‘avant-gardisme’, zoals gegeven door Bürger, te benaderen als een historisch construct.[5] Tot op heden heeft de definitie van Bürger, samen met vergelijkbare anderen, stevig voet aan de grond met betrekking tot de kijk op ‘modernistische’, avant-gardistische kunst van het begin van de twintigste eeuw binnen cultuurgeschiedenis. Dit bestaande beeld is daarmee diepgeworteld in noties van Westerse moderniteit, waarbij de normativiteit gebaseerd is op een Europees kader. Belangrijke vragen die daarmee rijzen zijn gericht op het hoe en waarom zo een ogenschijnlijke ‘commonplace’ term kon ontstaan, normatief en descriptief van karakter. Kan er op andere manieren gekeken worden naar ‘Westerse moderniteit’?

Dergelijke vragen lenen basis in het werk van Bonnett en hoogleraar sociologie Meltem Ahiska, alsook later van Friedman, die aan het begin van deze eeuw kritisch zijn gaan kijken naar ‘Westerse’ noties en moderniteit. In hun teksten keren zij zich tegen de hegemoniale rol van ‘Westers denken’ in het kader naar moderniteit. Deze theorieën zoals ze hier aan bod zullen komen, zijn in grote mate toepasbaar op de het kijken naar Westers modernisme in de kunsten en kunnen bijdragen aan vergrootte nuance wanneer het aankomt op het bespreken van modernistische noties en de gepaarde Europese connotaties in een geschiedenis die niet alleen beperkt is tot het geografische Europa. Zo stelt Friedman radicaal ‘rethinking modernity’ voor, waarbij een duidelijke kritiek naar voren komt op ‘the story of the West’: het meta-narratief van moderniteit als Westers en de gepaarde hegemonie over de rest van de wereld.[6] Dit versus-karakter van noties over moderniteit raken sterk aan de aannames rondom het moderne in de beeldende kunsten van de twintigste eeuw in Europa. Bürger’s definitie van avant-gardisme en de aanval op institutionele kunst impliceert wezenlijke verschillen elders. De retoriek en de focus liggen met betrekking tot deze culturele geschiedenis enkel op Europa, getuigend van de problematische ‘point of view of the West’ wanneer er sprake is van een wereldwijd fenomeen. Hoewel meerdere kunsthistorici geprobeerd hebben avant-gardisme te decentraliseren, zoals Beatrice Joyeux-Prunel en Partha Mitter, is de notie van modernisme nog te veel gekoppeld aan een Westerse intellectuele traditie, waartegen de laatstgenoemde zich ook actief keert in het artikel ‘Decentering modernism: art history and avant-garde art from the periphery’.[7]

Voor dit onderzoeksveld geldt dan ook in zekere mate wat literatuurwetenschapper Christopher GoGwilt aankaart in 1995 in The invention of the West: ‘Precisely because the superiority of European knowledge remained unquestioned, there was no need for an idea of “the West”’.[8] Nadenken over de Westerse discursieve oorsprong van aannames met betrekking tot moderniteit kan dienen om de tautologie die heerst in het kijken naar ‘moderne’ cultuurgeschiedenis te ontkrachten. Moderniteit is bovenal, in de woorden van Ahiska, een historisch construct.[9] Het toont bepaalde kenmerken op normatieve wijze, ontstaan in bepaalde tradities. Dat ontstaan plaatst historicus Zvi Ben-Dor Benite treffend aan de hand van historicus Frederick Cooper’s ‘powerful claim to singularity’ van moderniteit. De tijd en ruimte waarin moderniteit als term zich ontwikkelde waren gelimiteerd aan Europa en het idee van de ‘moderne’ tijd. In die context kon de periode gezien worden als progressief en dynamisch. Normatief als moderniteit daarmee werd, impliceerde het derhalve een duidelijke breuk met het andere. Tegenover progressief en dynamisch staat lijnrecht het andere als statisch en regressief.[10] ‘Within this framework, the theme of progress is well known, although it is always thought through and experienced tautologically and self-referentially.’ Moderniteit impliceert daarmee in verschillende contexten het Westerse beeld dat eraan hangt: de norm is Europese moderniteit.[11] Het is deze tautologische aanname die Bonnett eveneens probeert te weerleggen.

Bonnett stelt in The idea of the West dat de term vooral een sterke mate aan ‘intellectuele en politieke utiliteit’ heeft.[12] Daarmee is het verhaal van moderniteit als ‘Westers verhaal’ niet het enige verhaal, maar slechts ‘één van de verhalen van de mensheid’.[13] Dat moderniteit is ontstaan uit slechts de Europese traditie is volgens Bonnett en Ahiska dan ook geenszins het geval. Zij leggen beiden juist grote nadruk op de niet-Westerse agency met betrekking tot het creëren van een eigen identiteit in het kader van Westerse noties en hoe die verhouding ligt.[14] Het idee van ‘plural modernities’ en het creëren van de eigen ‘moderne’ identiteit, losgebroken van Westerse noties over moderniteit, speelt daarbij een belangrijke rol. In de bovengenoemde tekst van Bonnett toont hij aan de hand van het moderne denken van Fukuzawa (Japan) en Tagore (India) aan dat: ‘In each case, we find distinct pathways towards a form of modernity that can only be understood as having been produced from regional traditions developing within a global scene.’[15] Om op methodologische grond hiertoe te komen stelt Bonnett voor om meer te kijken naar het idee van ‘coeval modernity’, ofwel ‘gelijktijdige’ of ‘simultane’ vormen van moderniteit. Deze methode die is ontstaan uit het decentraliseren van Westers denken vindt ook zeker een toepassing in het kijken naar cultuurgeschiedenis binnen het Europese kader.

Waar tot op recent te zien is dat menig sociaal wetenschapper zich berust op bestaande noties binnen het Westerse intellectuele discours met betrekking tot modernisme in Europa, valt grond te winnen door de centrale concepten te decentraliseren uit dat bestaande discours. Ten eerste, hoewel kijken naar avant-gardistische kunst aan het begin van de twintigste eeuw vanuit het concept moderniteit zeker bepaalde contextuele voordelen heeft, tonen recente verkenningen op het gebied van ‘Westerse’ noties aan dat de normatieve kenmerken die al dan niet impliciet gekoppeld worden niet vanzelfsprekend zijn. Zoals Bonnett stelt zijn er verschillende wegen die leiden tot vormen van moderniteit, in verschillende contexten. Ten tweede, het is derhalve belangrijk om te erkennen dat noties van moderniteit discursief gekoppeld zijn aan Westers denken en de impliciete tegenstelling met de ander. Het progressieve van moderniteit is geenszins een specifiek Europees of Westers kenmerk, maar dient geplaatst te worden in de regionale contexten binnen het grotere geheel van de globale context. Aan de hand van deze nieuwe inzichten vervalt de tautologie die in menig intellectuele sfeer aanwezig is dat moderniteit een vanzelfsprekend Westers gegeven is binnen de gehele tijdspanne van de wereld. Vrij vertaald naar Friedman leidt de bredere context rondom ‘the story of the West’ tot beter begrip van de ‘systemen die hebben geleid tot de Europese hegemonie, die ingaat tegen de theorieën gebaseerd op een Europees exceptionalisme, en verdringt het de bestaande ideeën van het lineaire diffusionisme waarin het centrum/periferie-model centraal staat met breedschalige concepten van millennia durend globaal interculturalisme en circulatie’.[16] Het avant-gardisme waarmee dit essay begon kan vervolgens losgetrokken worden van het ‘master narrative’ van de ‘avant-garde discourse in the West’, waardoor meer rekenschap gegeven kan worden aan het regionale binnen de globale context, waar kunsthistoricus Partha Mitter zo sterk voor pleit.[17] Maar is het wel zo makkelijk om moderniteit los te zien van het Westerse discours? En is het mogelijk om de term algeheel los te laten en met een globaal alternatief te komen?

[1] A. Bonnett, ‘Occidentalism and plural modernities: or how Fukuzawa and Tagore invented the West’, Environment and Planning D: Society and Space 23 (z.p. 2005) pp. 505-525, aldaar p. 507
[2] S.S. Friedman, Planetary Modernisms. Provocations on modernity across time (New York 2015) p. 3.
[3] De term ‘esthetische moderniteit’ is afkomstig van J. Habermas, in zijn 1980 lezing ter gelegenheid van het in ontvangst nemen van de Theodor W. Adorno-prijs in Frankfurt. J. Habermas, ‘Modernity. An incomplete project’, in: H. Foster ed., The anti-aesthetic (Seattle 1983) pp. 3-15.
[4] P. Bürger, ‘Avant-garde and neo-avant-garde: an attempt to answer certain critics of “Theory of the avant-garde”’, New Literary History 41 (z.p. 2010) pp. 695-715, aldaar p. 696.
[5] Literatuurwetenschapper H. van den Berg schrijft dat in de beoogde periode van de ‘avant-gardisten’ zelf maar weinig sprake was van het gebruik van de term. De term is a posteriori bedacht als een overkoepelende noemer van meerdere culturele stromingen. H. van den Berg, ‘Mapping old traces of the new. Towards a historical topography of early twentieth-century avant-garde(s) in the European cultural field(s)’, Arcadia 41 (z.p. 2006) afl. 2, pp. 331-349, aldaar pp. 334-335.
[6] Friedman, Planetary Modernisms, p. 120.
[7] B. Joyeux-Prunel, ‘Peripheral circulations, transient centralities: the international geography of the avant-gardes in the interwar period (1918-1940)’, Visual resources 35 (z.p. 2019) pp. 295-322; P. Mitter, ‘Decentering modernism: art history and avant-garde art from the periphery’, The Art Bulletin 90 (z.p. 2008) pp. 531-548, aldaar p. 531.
[8] C. L. GoGwilt, The invention of the West: Joseph Conrad and the double-mapping of Europe and empire (Stanford 1995) p. 221.
[9] M. Ahiska, ‘Occidentalism: the historical fantasy of the modern’, The South Atlantic Quarterly 102 (z.p. 2003) pp. 351-379, aldaar p. 367.
[10] Z.B.D. Benite, ‘Modernity: the sphinx and the historian’, American Historical Review 116 (Chicago 2001) pp. 638-652, aldaar pp. 638-639.
[11] Ibidem, p. 639.
[12] A. Bonnett, The idea of the West: culture, politics, and history (Hampshire 2004) p. 6.
[13] Ibidem, p. 11.
[14] Bonnett, ‘Occidentalism and plural modernities’, p. 508; Ahiska, ‘Occidentalism: the historical fantasy of the modern’, p. 355. Ahiska toont hier dat binnen de Turkse civil society rond de 2002 campagne verschillende ‘Westerse noties’ ingezet werden om zelfbewust de eigen identiteit te creëren.
[15] Bonnet, ‘Occidentalism and plural modernities’, p. 510.
[16] Friedman, Planetary Modernisms, p. 9.
[17] ‘Art since 1900 touches on a few isolated samples of postwar diaspora art and Asian avant-garde movements, but these owe their presence more to what they mean to the West than for their intrinsic worth. In consequence, they tend to come off as bit players in the master narrative. Thus, […] the canon is not significantly enlarged. Rather, the non-Western artists are brought in primarily on account of their compatibility with the avant-garde discourse in the West’, in: Mitter, ‘Decentering Modernism’, p. 531.


‘Reeds is ons een nieuw Europa begonnen’
Nederlands avant-gardisme en de Eerste Wereldoorlog, 1917-1926

De Eerste Wereldoorlog is in de Nederlandse cultuurgeschiedenis doorgaans een sterk onderbelichte gebeurtenis. In de kunsthistorische traditie wordt de Eerste Wereldoorlog, wanneer wordt gesproken over beeldende kunst in de periode direct na deze oorlog, vaak slechts terloops genoemd. Dit onderzoek naar de Nederlandse avant-gardistische groeperingen De Stijl en Groninger Kunstkring De Ploeg toont aan de hand van een nieuwe invulling van de mentaliteitsbenadering in historisch onderzoek een nationale, alsook transnationale, collectieve avant-gardistische mentaliteit. Vernieuwingsdrang, tijdsbewustzijn en het moderne leven stonden voor de kunstenaars in grote mate centraal; kenmerken die in verscheidene wetenschappen gekoppeld worden aan het ‘avant-gardistische’. Gezien het doen en denken van deze kunstenaars dusdanig beïnvloed werd door deze kenmerken, kan gesproken worden over een ‘mentaliteit’. Mentaliteiten kennen in de geschiedwetenschappen een lange traditie. Bij historische mentaliteiten staat vaak ‘het geheel’ centraal: een gedeelde mentaliteit of collectieve mentaliteit.

Aan de hand van deze traditie heb ik de Nederlandse kunstenaars van De Stijl en De Ploeg getracht te plaatsen in de Nederlandse cultuurgeschiedenis. De kunstenaars Theo van Doesburg, Piet Mondriaan en Vilmos Huszár enerzijds, en de kunstenaars Jan Wiegers, Hendrik Werkman en Alida Pott anderzijds, tonen allemaal de kenmerken van het avant-gardisme van het Europa van die tijd. De Eerste Wereldoorlog vormde een belangrijke impuls voor de culturele ontwikkelingen die plaatsvonden in West-Europa, waarin een afkeer ontstond voor de bestaande samenleving. Utopische ideeën vonden een directe vertolking in de geproduceerde kunst, wat voornamelijk in Duitsland en Frankrijk – de oorlogvoerende gebieden – een duidelijke voetafdruk heeft achtergelaten.

Zo ook in Nederland.

Nederland was in politiek-militair opzicht ‘neutraal’. Economisch en cultureel gezien niet. In de afgelopen twee decennia is onder historici de nadruk op Nederlandse cultuurgeschiedenis rond de Eerste Wereldoorlog onder de aandacht gekomen. Waar het onderwerp eerst niet interessant was door de veel grotere en voor Nederland belangrijkere Tweede Wereldoorlog, kwam de aandacht te liggen op de invloed van de ‘Grote Oorlog’ (1914-1918) op de Nederlandse samenleving. Onderdeel daarvan is het onderwerp van deze scriptie: Nederlandse kunstenaars. Kunstgeschiedenis en cultuurgeschiedenis komen zo meer tot elkaar, om een beeld te geven van cultuur in Nederland in deze tijd. Tegelijkertijd verbindt het Nederland aan de bredere context van Europa in dit tumultueuze moment in de moderne geschiedenis.

De keuze voor dit onderwerp kwam op uit een grote interesse in de culturele aspecten van de Eerste Wereldoorlog specifiek, zoals onder andere prachtig naar voren komt in Modris Eksteins Rites of Spring: the Great War and the birth of the modern age (1989). De liefde voor moderne kunst en het wonderlijke enthousiasme van beeldende kunstenaars in deze tijd – het begin van de twintigste eeuw – vormen daarbij het tweede ingrediënt. De kunstenaars van De Stijl werden doorgaans wel genoemd in verband met een tijdgeest en ‘de afkeer van de verschrikkingen van de oorlog’, maar vooralsnog was nog geen historisch onderzoek gedaan naar culturele invloed van de oorlog in Nederland, waarbij duidelijk gebruik gemaakt wordt van een historische methode.

De avant-gardistische mentaliteit van honderd jaar geleden is nog altijd aanwezig. Het is nu progressief, globaal en tegen het systeem. In dat opzicht is er weinig veranderd. Wat wel is veranderd is de manier waarop gereageerd wordt op tegengeluiden. Dominante denkstructuren, om te spreken naar Foucault, maken zich zo alsmaar beter zichtbaar. Onderzoek als dit geeft inzicht in verschillende houdingen in de samenleving en hoe structuren werken.

Ben je geïnteresseerd in wat ik heb geschreven? Hieronder vind je de downloadlink voor de tekst. Ik hoor graag wat je ervan vindt. Bij Contact kun je een bericht sturen.

Masterscriptie Martijn Beijer 28-07-2020 (pdf)